Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0978

Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200804351/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 16 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oiltanking Amsterdam B.V. (hierna: Oiltanking B.V.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor op- en overslag en behandeling van vloeibare koolwaterstoffen, vloeibare organische chemicaliën, niet-eetbare oliën en melasse aan de Heining 100 te Amsterdam. Dit besluit is op 2 mei 2008 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200804351/2. Datum uitspraak: 11 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oiltanking Amsterdam B.V., gevestigd te Amsterdam, verzoekster, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 april 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oiltanking Amsterdam B.V. (hierna: Oiltanking B.V.) een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen van een inrichting voor op- en overslag en behandeling van vloeibare koolwaterstoffen, vloeibare organische chemicaliën, niet-eetbare oliën en melasse aan de Heining 100 te Amsterdam. Dit besluit is op 2 mei 2008 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft Oiltanking B.V. bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2008, beroep ingesteld. Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 juni 2008, heeft Oiltanking B.V. de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar Oiltanking B.V., vertegenwoordigd door mr. A.M.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, C.D. Hubner, mr. D.M. Huizinga en ir. H.J.G. Kok, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.T. de Grunt, drs. S.C. Kasifa en ing. A.W. Frensen, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.2. Het verzoek betreft de vergunningvoorschriften 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3. 2.3. Vergunningvoorschrift 3.1.1 bepaalt, voor zover thans van belang, dat de emissie van Vluchtige Organische Stoffen (hierna: VOS) de grenswaarde van 150 mgC/Nm³ niet mag overschrijden. Vergunningvoorschrift 3.1.2 bepaalt, voor zover thans van belang, dat de totale VOS-emissies tengevolge van de daklandingen van de tanks gelegen in put 17 en 18 niet meer mogen bedragen dan 104 ton VOS per jaar. Vergunningvoorschrift 3.1.3 bepaalt, voor zover thans van belang, dat door vergunninghoudster binnen drie jaar na het in werking treden van deze vergunning onderzoek moet zijn verricht naar de mogelijkheden tot verdere reductie van de VOS-emissies vanuit de opslagtanks gelegen in put 17 en 18. 2.4. Oiltanking B.V. voert ten aanzien van vergunningvoorschrift 3.1.1 aan dat ten onrechte het BREF Raffinaderijen is toegepast. Ook acht zij het voorschrift in strijd met het Milieuconvenant Integrale Milieu Kader Op- en Overslagbedrijven (hierna: IMKO-2). Volgens haar is het verschil in geur tussen de emissiewaarden van 150 mgC/Nm³ en 1 gC/Nm³ niet merkbaar. Oiltanking B.V. stelt dat een concentratie eis van 1 gC/Nm³ een groter milieuvoordeel biedt dan de concentratie eis van 150 mgC/Nm³ die in vergunningvoorschrift 3.1.1 is gesteld. Zij vermeldt dat wanneer er geurklachten zijn de laadsnelheid van de schepen wordt gehalveerd. Deze maatregel wordt reeds toegepast, waardoor er geen klachten over geuroverlast meer zijn, aldus Oiltanking B.V. Oiltanking B.V. voert aan dat vergunningvoorschrift 3.1.2 verder gaat dan IMKO-2 toestaat. Zij stelt dat vergunningvoorschrift 3.1.2 geen geurhinder zal voorkomen. De verdrijvingsemissies uit de tanks zijn volgens haar diffuus en deze komen in een gering tempo vrij, zodat geen geurhinder buiten de inrichting ontstaat. 2.5. Oiltanking B.V. voert aan dat zij, om vanaf 1 april 2009 aan de gestelde concentratie eis voor de emissie van VOS te kunnen voldoen, nu reeds extra vacuümpompen zou moeten bestellen. Zij stelt dat dit een investering van € 745.000 betekent, terwijl het in werking hebben van de pompen € 512.000 aan extra kosten met zich brengt. Oiltanking B.V. voert daarnaast aan dat het in vergunningvoorschrift 3.1.2. gestelde emissieplafond voor VOS is gebaseerd op vier daklandingen per tank per jaar. Oiltanking B.V. voert aan dat zij, wanneer zij aan dit emissieplafond moet voldoen, de tanks in de putten 17 en 18 maar maximaal vier keer per jaar kan verhuren, waardoor deze acht maanden of langer leeg zullen staan. Het verhuren van de tanks voor slechts vier maanden is volgens haar niet rendabel. Bovendien zal Oiltanking B.V. klanten verliezen, die moeten uitwijken naar concurrenten. Oiltanking B.V. kan, ook bij meer daklandingen, aan het emissieplafond voldoen door de resterende dampen in de landtanks naar een dampverwerkingsinstallatie te brengen, maar dat leidt tot grote investeringen. In vergunningvoorschrift 3.1.3 is voorgeschreven onderzoek te verrichten naar de emissies uit de opslagtanks in de putten 17 en 18. Oiltanking B.V. acht het niet zinvol aan deze verplichting te voldoen wanneer de vergunningvoorschriften 3.1.1 en 3.1.2 geschorst zouden worden. 2.6. Het college stelt dat er ernstige geurhinder bestaat in Zaandam. Het voert aan dat de emissie-eis is gebaseerd op de Nederlandse emissierichtlijn Lucht. Volgens het college vloeien daaruit grenswaarden voor g01, g02, g03 en MVP2 voort. Deze waarden komen volgens het college overeen met een VOS-emissie van 150 mgC/Nm³. Het opnemen van een VOS-grenswaarde is nodig ter controle, de afzonderlijke componenten zijn niet als zodanig te meten, aldus het college. Volgens het college zijn de installaties van Oiltanking B.V. vergelijkbaar met de installaties uit het BREF-Raffinaderijen. Het IMKO-2 is nog niet ondertekend, aldus het college. 2.7. De vraag of het BREF-Raffinaderijen van toepassing is op de installaties van de inrichting van Oiltanking B.V. leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. Dit geldt eveneens voor de vraag of door middel van de onderhavige vergunningvoorschriften geurhinder voorkomen kan worden en in dat verband voor de vraag of een emissie-eis van 1 gC/Nm³ grotere milieuvoordelen heeft dan een emissie-eis van 150 mgC/Nm³. Naleving van de voorschriften stelt Oiltanking B.V. voor hoge kosten, omdat zij investeringen moet doen om aan de voorschriften te voldoen en de verhuur van de tanks in de putten 17 en 18 moet stilleggen. Onweersproken is gebleven dat door de door Oiltanking B.V. getroffen maatregelen klachten omtrent geurhinder bij de belading van schepen worden voorkomen. 2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter, in afweging van de betrokken belangen, aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. 2.9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van 16 april 2008, kenmerk 2008-7058, voor zover het vergunningvoorschrift 3.1.1, waar dit een grenswaarde voor de emissie van VOS van 150 mgC/Nm³ stelt, en de vergunningvoorschriften 3.1.2 en 3.1.3 betreft; II. veroordeelt het college tot vergoeding van bij Oiltanking B.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Holland aan Oiltanking B.V. onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. gelast dat de provincie Noord-Holland aan Oiltanking B.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat. w.g. Oosting w.g. Sparreboom voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2008 195-433.